Diversiteit
donderdag 12 april 2012
Gastcolleges: Oudergesprekken en Leo Kanner
Ik heb de gastcollege oudergesprekken gevolgd. Dit college was erg interessant. We hebben veel tips gekregen van de gastdocent over hoe je een oudergesprek kunt hebben. Ook hebben we de voorbereiding besproken.
Zo zijn er verschillende soorten gesprekken:
- Slecht nieuwsgesprek
- Toevallige gesprekken: - op schoolplein
- In de klas
- Hulpouders
- Buiten de school
Niet te diep op inhoud ingaan.
Geen slecht nieuws
Je moet je kunnen voorbereiden
Tijden voor (kunnen) nemen
Niet privé/ afluistergevaar
o Gesprek op verzoek van ouders
o Gesprek op verzoek van de leerkracht
o 10- minuten/ rapport/ adviesgesprekken
o Kennismakingsgesprekken/ huisbezoek
10 minuten gesprek:
Hoe vertelt het kind over school?
Hoe zijn de leerprestaties?
Hoe is het contact tussen leerlingen?
Hoe is het contact met de leerkracht?
Sociaal
Ik heb deze informatie toe kunnen passen bij een toepassingskaart. Ik heb dus veel aan dit gastcollege gehad. De gastdocent was erg enthousiast met vertellen.
Verder hebben we nog gesprekken met elkaar gevoerd. Deze gesprekken moesten goed en duidelijk zijn. Als leerkracht moest je in dit gesprek gebruik maken van de term luisteren, samenvatten, doorvragen. Dit deden we dan ook.
Leo Kanner:
We hebben nog een gastcollege gehad. Dit keer heb ik gekozen voor het gastcollege van Mirthe van Til, zij is docent op de Leo Kanner school. Dit is een school waar alleen maar autisten op zitten.
De gastdocent heeft erg veel verteld over de vormen van autisme. Na haar verhaal weet ik er veel meer over. Zoals dat er veel soorten autisme zijn, bijvoorbeeld Asperger. Ook vertelde de docent wat de kenmerken van autisme zijn.
Na deze informatie heeft de docent vooral verteld over haar ervaringen. Wat een ervaringen zeg! Het lijkt mij ontzettend zwaar om op de Leo Kanner school te werken. Zo werken de leerkrachten met een pieper, vanwege situaties die uit de hand kunnen lopen. Ook vertelde de docent dat de kinderen niet veel veranderingen aan kunnen. Een brandoefening is best lastig voor de kinderen. Wat mij ook is bijgebleven is dat sommige kinderen met een koptelefoon opzitten om niet afgeleid te raken. Of kinderen die schermen tussen de tafels hebben, zodat ze geconcentreerd blijven.
Ik heb dit hele college met vol bewondering en interesse naar de docent geluisterd. Ze heeft erge interessante verhalen verteld! Respect!
donderdag 16 februari 2012
Toepassingskaart 8: taal (dyslexie)
Presentatie taalopdracht Ralfi-lezen
ALGEMENE INFORMATIE
Ralfi is een methodiek om de leesvaardigheid te verbeteren bij kinderen, bij wie het lezen niet versnelt of automatiseert.
Voor wie is RALFI geschikt?Voor kinderen
• die de spellende leeshandeling (grotendeels) beheersen maar die langdurig veel te traag blijven lezen. Het lezen versnelt en automatiseert niet.
• bij wie het AVI niveau (vrijwel) blijft stilstaan; de vorderingen beslaan minder dan 2 AVI instructieniveaus per jaar.
• herhaalde presentatie van korte, op elkaar gelijkende woorden, leidt vaak niet of nauwelijks tot verbetering van het lezen van de betreffende woorden.
• bij wie het opvallend is dat vaak langere woorden met een complexe orthografische structuur minder problemen opleveren dan korte woorden
UITGANGSPUNTEN
• R= Repeated:
herhaald lezen met tussenpozen:
• A= Assisted:
ondersteund door voorlezen-voorzeggen en bijwijzen
• L= Level:
inzetten op een hoog niveau.(leeftijdsadequaat)
• F= Feedback:
directe neutrale feedback bij fouten, maar ook toegespitste positieve feedback
• I= Interactie:
enthousiaste interactie over de inhoud
WOORDENSCHAT EN RALFI
Tijdens RALFI staat de betekenis en de beleving van het lezen centraal, daarom is het essentieel dat de kinderen de stukken tekst goed begrijpen.
Woord-begrip is daarbij een zeer belangrijke bepalende factor.
Het herhaald en ondersteund lezen(RALFI) geeft goede uitgangspunten voor een positieve ontwikkeling m.b.t. de woordenschat.
Een efficiënte en effectieve didactiek hierbij is:
CUVAR
CU= context + uitleg:
Aan de hand van het verhaal wordt de betekenis van het woord uitgelegd.
V = variatie:
De leerkracht zegt het woord binnen verschillende contexten.
A = aanvulzin:
De leerkracht zegt een aanvulzin met het te leren woord.
R = Registratie:
De leerkracht – leerling schrijft het woord op. Iedere keer wanneer de
leerling het woord zelf actief gebruikt in een eigen zin komt er een streepje
achter het woord te staan.
AANBIEDINGSVORMEN
VoorlezenDe eerste vijf keer dat een tekst gelezen wordt, leest de leerkracht(ouder) de tekst eerst vloeiend voor in een normaal leestempo. De kinderen lezen mee, terwijl ze bijwijzen. De zesde keer wordt de tekst niet voorgelezen maar lezen de kinderen de tekst zelf voor.
KoorlezenNa het voorlezen vindt koorlezen plaats. Alle kinderen lezen tegelijkertijd en hardop de tekst voor. (thuis leest het kind samen met de ouder de tekst hardop voor)
Duolezen of individueel lezenVervolgens wordt gebruik gemaakt van duolezen of individueel lezen. Bij het duolezen leest het ene kind de tekst, terwijl het andere kind meeleest en helpt waar nodig is. Hierna wisselt dit. Bij individueel lezen, leest het kind de tekst hardop , terwijl de leerkracht meeleest en helpt waar nodig is
BENODIGDHEDEN
- Een boek: verhalend of informatief, minstens 4 of 5 AVI-niveaus boven het laagste instructieniveau van de groep
- Mappen of schriften voor alle kinderen in de groep, met daarin de gekopieerde stukken tekst en, indien CUVAR gebruikt wordt, woordenlijstjes naar aanleiding van de tekst, woorden gemarkeerd in de tekst.
- Een markeerpen om woorden in de tekst mee te markeren
- Bijwijskaartjes voor alle kinderen

Bron:
- Ralfi lezen. (z.j.) Geraadpleegd op 28 maart 2012, op http://www.ralfilezen.nl/nl/
**De powerpoint presentatie kan niet op blogspot. Daarom staat alle informatie (die ook in de powerpoint staat) op deze manier op blogspot
Zelfreflectie:
Vragen uit de presentaties + antwoorden:
ondersteund door voorlezen-voorzeggen en bijwijzen
enthousiaste interactie over de inhoud
Toepassingskaart 7: opstellen van individueel handelingsplan
Individueel handelingplan voor in de stamgroep
| ||
Naam:
|
I. B.
| |
Geboortedatum:
|
07-11-2001
| |
Schoolverloop:
|
Sinds groep 6 op deze school
| |
Schooltype, klas:
|
Groep 7
| |
Start handelingsplan:
|
Mei 2012
| |
Opgesteld door:
|
Kayleigh van den Oever
| |
Evaluatiedatum:
|
-
| |
Beginsituatie:
|
De leerling is zwak in rekenen. Vooral hoofdrekenen vindt ze lastig. Hiervoor heeft ze al les en oefeningen in gehad. Verder heeft de leerling moeite met de concentratie en is ze erg dromerig. De leerling is erg perfectionistisch, daardoor is haar tempo aan de lage kant. De leerling is erg sociaal. Ze helpt graag andere leerlingen met uitleg. De leerling staat open voor nieuwe dingen, ze is erg leergierig.
| |
Hoe gaat er geëvalueerd worden
(met welk instrument?):
|
Na het uitvoeren van het handelingsplan gaat er geëvalueerd worden door middel van een werkblad met rekensommen die I. uit moet rekenen. Op dit werkblad wordt weer door leerkracht en leerling gereflecteerd.
| |
Wat is het gesignaleerde probleem?
|
De leerling heeft moeite met rekenen. Vooral het delen vindt deze leerling erg lastig. Ook weet ze niet hoe ze staartdelingen kan maken en kan uitrekenen.
| |
Welke toets-, test-, en observatiegegevens zijn er bekend?
|
Het is bekend dat de leerling op het gebied van rekenen een D scoort.
Verder zijn er observatiegegevens bekend van de leerling. Het is voor de leerling erg lastig om uit het hoofd te rekenen, daarom vindt ze delen ook erg moeilijk.
Ook heeft de leerling moeite met haar concentratie. Ze is erg dromerig en snel afgeleid.
| |
Wat is er tot nu toe aan extra hulp gedaan?
|
Op gebied van rekenen heeft de leerling al eerder extra instructie gehad. Zo heeft ze eerder 3x per week hoofdrekenen op de computer gevolgd en ze kreeg een hoofdreken blad mee naar huis om te oefenen. Dit kan een factor zijn dat de leerling ook zwak is in delen. Ik merk dat ze het lastig vindt om uit haar hoofd te rekenen.
Verder heeft Fred gewerkt met de leerling aan de taakgerichtheid. Hij is met haar gaan plannen en evalueren.
| |
Relevante kindfactoren
|
Bevorderend:
De leerling heeft een brede interesse en is erg leergierig.
Belemmerend:
De leerling heeft moeite met concentratie. Is erg dromerig.
| |
Welke doelen moeten er bereikt worden (SMART)
|
De leerling moet het delen onder controle hebben.
De leerling maakt kennis met het rekenen met staartdelingen.
De leerling leert een handige manier om staartdelingen uit te rekenen.
| |
Met welke middelen
|
Werkbladen met deelsommen en staartdelingen
Methode: het grote rekenboek.
Computerprogramma’s.
| |
Welke activiteiten
|
De leerling krijgt extra instructie over delen en staartdelingen.
De leerling moet deelsommen maken op werkbladen.
De leerling maakt staartdelingen op werkbladen.
De leerling oefent met staartdelingen via materialen en tussenstapjes.
De leerling oefent op de computer. Ze speelt rekenspelletjes op de computer.
| |
Wie doet wat, wanneer, hoe lang
|
Kayleigh à instructie/ uitleg over staartdelingen (en eventueel breuken).
Groepsleerkracht à wekelijks plannen.
Computer à 1x per week.
Een keer per week, een periode lang. (periode 4)
| |
Oudercontact
|
Ouders stemmen toe met het plan.
| |
Evaluatie
|
Door middel van werkbladen en een ‘test’.
Ook wordt de leerling geobserveerd in haar handelen.
| |
Vervolg handelingsplan
|
-
| |
Individueel handelingplan voor in de stamgroep
| ||
Naam:
|
N. L.
| |
Geboortedatum:
|
29-01-2001
| |
Schoolverloop:
|
1-2-3-4-5-6
| |
Schooltype, klas:
|
Groep 7
| |
Start handelingsplan:
|
Mei 2012
| |
Opgesteld door:
|
Kayleigh van den Oever
| |
Evaluatiedatum:
|
-
| |
Beginsituatie:
|
Deze leerling heeft dyslexie. Hij heeft moeite met het lezen van woorden. Verder heeft hij moeite met het begrijpen van woorden. Het begrijpend lezen vindt hij erg lastig, omdat hij op technisch gebied erg bezig is om de woorden goed te lezen en uit te spreken. Maar hij begrijpt niet helemaal wat hij leest.
Ook is er bekend dat de leerling moeite heeft met de concentratie. De leerling heeft ADHD.
| |
Hoe gaat er geëvalueerd worden
(met welk instrument?):
|
Na het uitvoeren van het handelingsplan gaat er geëvalueerd worden door middel van een test die N. maakt. Op deze test wordt weer door leerkracht en leerling gereflecteerd.
| |
Wat is het gesignaleerde probleem?
|
De leerling heeft veel moeite met lezen en begrijpend lezen ten gevolge van dyslexie.
| |
Welke toets-, test-, en observatiegegevens zijn er bekend?
|
| |
Wat is er tot nu toe aan extra hulp gedaan?
|
Connect lezen in groep 4 en 5
Ralfi lezen in groep 6
RT spelling 2010-2011
Hulp met lezen bij het Curium
| |
Relevante kindfactoren
|
Bevorderende factor:
Brede interesse
Belemmerende factor:
De leerling heeft een ernstige vorm van dyslexie.
Verder heeft de leerling moeite met concentreren.
| |
Welke doelen moeten er bereikt worden (SMART)
|
De leerling gaat door middel van materialen het begrijpend lezen oefenen. Na een tijd te hebben geoefend kan het kind een tekst beter begrijpen.
| |
Met welke middelen
|
Kidsweek
Schrift met samenvattingsvragen
Woordenboek
| |
Welke activiteiten
|
De leerling kiest een stukje uit de kidsweek. Dit artikel knipt het kind uit en plakt deze op in een schriftje. Het artikel wordt meerdere malen gelezen. Ook leest de begeleider het artikel voor aan de leerling. Na het lezen gaat de leerling proberen om te tekst te begrijpen. Hierbij worden een aantal vragen beantwoordt door de leerlingen die standaard in het schriftje staan.
- Wat gebeurt er in het verhaal?
- Wie komen er in het verhaal voor?
- Kan je het verhaal in een zin samenvatten?
- Welke woorden vind je moeilijk?
De moeilijke woorden worden door de leerling opgezocht in het woordenboek, zodat de leerling gaat begrijpen wat een woord betekent.
Na de les wordt er door de begeleider en de leerling gereflecteerd.
| |
Wie doet wat, wanneer, hoe lang
|
De RT-er kan dit handelingsplan uitvoeren. Verder kan de stagiaire elke dinsdag met de leerling oefenen.
1 keer per week wordt hier mee geoefend, omdat de leerling nog andere hulp krijgt.
De extra activiteit duurt gemiddeld 20 minuten.
| |
Oudercontact
|
-
| |
Evaluatie
|
Door middel van werkbladen en een ‘test’.
Ook wordt de leerling geobserveerd in zijn handelen.
Verder reflecteert de leerling samen met de begeleider over het werken.
| |
Vervolg handelingsplan
|
-
| |
Toepassingskaart 6: observaties leerprobleem (tijdsteekproef)
1. Kies in samenspraak met je mentor een leerlingen die niet-taakgericht gedrag vertoont (kan ook gedrag zijn dat leerlingen alleen bij bepaalde lessen laat zien, bijv. tijdens de rekenlessen).
Mijn mentor en ik hebben samen gekozen om Iris te kiezen. Iris is een meisje dat snel is afgeleid tijdens het werken. Dit gebeurt vooral bij rekenen. Mijn mentor denkt dat Iris een vorm van ADHD heeft. Maar dit is niet bewezen. Het leek ons wel interessant om te kijken hoe taakgericht Iris is met rekenen. Dit is een vak waar ze vaak moeite mee heeft.
2. Bepaal zo objectief mogelijk de beginsituatie. Wat wil je m.b.t. de taakgerichtheid van de leerling veranderen? Voer een startobservatie uit. Gebruik de methodiek van de tijdsteekproef (zie instructie hieronder) en leg de uitkomst in je observatie vast.
Zie tijdsteekproef.

T = 16 --> 35%
D = 6 --> 13%
CM = 14 --> 31%
CL = 2 --> 4%
O = 7 --> 15%
Uit de tijdsteekproef blijkt dat Iris snel afgeleid is. Ik wil hier iets aan doen. Ik wil Iris taakgerichter laten werken bij het vak rekenen. Hierbij ga ik Iris begeleiden.
Ik heb afspraken met Iris gemaakt bij elke rekenles. Deze hebben we opgeschreven.
Hier een aantal afspraken die Iris en ik samen gemaakt hebben:
- We bespreken van te voren hoeveel tijd Iris nodig denkt te hebben.
- Iris werkt het beste als het stil is. Ook zit ze liever niet in een groepje, dan wordt ze te snel afgeleid.
- Iris werkt ongeveer 10 minuten aan haar taak, als ze dan niet meer geconcentreerd is, dan gaat ze even iets anders doen. Bijvoorbeeld een loopje naar de wc. Maar daarbij stoort ze geen andere kinderen. Na de pauze gaat ze weer terug aan het werk.
- Ik loop langs bij Iris om te kijken hoe het gaat met Iris.
- Als Iris iets niet snapt, dan vraagt ze dat aan mij. Maar ondertussen gaat ze wel verder met de andere opdrachten.
- Als Iris taakgericht aan het werk is, dan geef ik haar tussentijds korte informatie en waardering, over de voortgang van het werk en/of vraag ik aan Iris hoe het gaat.
- Na afloop reflecteren we samen op de rekenles. Hoe ging de les? Ik stel daarbij vragen aan Iris, zowel directief als responsief. Iris vertelt hoe het ging.
- Is aan het eind van de les het doel behaald?
- Ik ben positief naar Iris toe, zodat ze meer zelfvertrouwen krijgt.
- Aan het eind van de les tekent Iris ene gezichtje op een blad. Op het blad staat de dag, en de les wat Iris heeft gemaakt. Daarachter tekent zij dus een gezichtje, boos, blij, verdrietig. Dit geeft aan hoe Iris de les vond gaan.
4. Vervolgens herhaal je de observatie aan het eind van je begeleiding: de eindobservatie. Leg ook nu de uitkomst van je observatie vast.
Zie tijdsteekproef.

T = 25 --> 55%
D = 11 --> 24%
CM = 2 --> 4%
CL = 4 --> 9%
O = 3 --> 7%
5. Vergelijk beide observatieresultaten met elkaar om een indruk van de eventuele verandering in taakgedrag te krijgen.
Iris is meer taakgericht bezig. Ik heb nu vaker taakgericht omcirkeld. Ze is 20% taakgerichter bezig. Wel maakt Iris vaak contact met mij. Dit is iets waar we nog aan kunnen werken. Lopen doet ze ook niet vaak meer. Wel is Iris vaker aan het dagdromen, rondkijken en andere activiteiten aan het doen. Dit is toegenomen. Het lopen door de klas is een heel stuk verminderd.
6. Wat zijn je conclusies? Heeft je aanpak/begeleiding geholpen? Plaats je bevindingen in je digitale themamap.
Ik denk dat mijn aanpakt werkt. Het heeft sowieso al geholpen. Door de afspraken met Iris te maken is ze bewuster van het taakgericht werken. Contact met andere leerlingen is afgenomen. Ze overlegt wel met andere leerlingen, maar dat gaat echt over het werk. Iris heeft problemen met haar concentratie, dit is iets wat ze zelf ook zegt. Maar deze aanpak vindt Iris wel fijn, vooral het reflecteren over de les. Ze vindt het leuk om gezichtjes te tekenen. Vaak zie ik positieve smilies, soms minder positieve.
Ik geef Iris vaak complimenten als ik zie dat ze goed haar best doet.
Als ik doorga met deze aanpak, dus de afspraken volgen, dan denk ik dat Iris nog taakgerichter kan werken. De afspraken zijn een houvast voor Iris. Ze vindt dit erg fijn.




