donderdag 16 februari 2012

Toepassingskaart 5: afstemmen in taaksituaties

Afstemmen in taaksituatie:

1. Je bereidt een taal- of rekenles op een (eigen) lesvoorbereidingsformulier voor. Pas hierin onderstaand
stappenplan toe om de leerlingen die niet-taakgericht gedrag vertonen de lesdoelen te laten bereiken.
2. Je voert de taal- of rekenles volgens het stappenplan uit.

1. Beginsituatie:

Iris is snel afgeleid als ze zelfstandig moet werken. Ze bemoeit zich snel met andere leerlingen. Als ze in een groep werkt kijkt ze vaak naar haar groepsgenoten en daar praat ze vaak mee. Tijdens de uitleg is ze vaak bezig met andere dingen. Als Iris zelfstandig aan het werk gaat, snapt ze vaak de opdracht niet helemaal. Na een korte uitleg is het duidelijk wat ze moet doen en gaat ze aan de slag. Haar concentratievermogen is niet al te hoog.
De taak die Iris en de rest van haar groep gaat maken is rekenen. Dit kan ze redelijk goed. Ze snapt dingen snel tijdens de uitleg. Rekenen met geld en breuken daar heeft ze af en toe nog wel moeite mee. Maar met extra instructie komt ze daar goed uit.

2. Taak:
Rekenen

3. Formuleer uitspraken die betrekking hebben op:

* taak
- Herken je deze som?
- Om deze som uit te rekenen heb je een kladblok nodig.
- We gaan nu rekenen met een verhoudingstabel.

* oplossingsweg
- Op welke wijze ga je de som oplossen?
- Hiervoor moet je met breuken werken.
- Wil je het antwoord direct invullen of reken je het eerst op een kladblok uit?

* doel
- Kun je me vertellen wat je moet opschrijven?
- Wat moet je doen, denk je?
- Je moet hier breuksommen uitrekenen.

* resultaat
- Zeg eens wat je in 20 min. Denkt af te kunnen hebben (hoeveelheid).
- Hoeveel sommen denk je goed te kunnen maken (goed/fout)?

* voorkennis
- Inderdaad, je moet de breuken bij elkaar optellen. Wat moet je kennen om dat te doen? Wat heb je vorige week geleerd het werken met breuken?
- Dat heb je goed opgemerkt. Dit is een taak met geld en delen. Weet je nog hoe je makkelijk en handig met geld kunt rekenen?

* tijd
- Hoeveel tijd denk je voor deze opgaven nodig te hebben?

4. Maak een inschatting van de beoordelingscriteria:

• oplossingsweg
In het begin zal Iris alles uit haar hoofd willen uitrekenen. Als ik met haar samen werk, dan gaat ze uiteindelijk op het kladblok werken met hulpmiddelen. Dit doet ze omdat ik haar aanspoor denk ik.

• resultaat
Na een goede uitleg en goede inzet van de leerling zal het resultaat goed zijn. Als Iris goed haar best doet en ik neem de tijd voor haar, dan presteert ze goed.

• tijd
Ik denk dat de leerling ongeveer 35/40 minuten bezig is met de taak rekenen.

- Hoeveel heb je er goed, denk je ?(resultaat)
- Zo netjes mogelijk, was de afspraak. Is het gelukt? (resultaat)
- En, heb je de abacus nog gebruikt? (oplossingsweg)
- Heb je de oefening gemaakt zoals je van plan was? (oplossingsweg)
- Is het je binnen de tijd gelukt? (tijd)
- Hoe lang heb je erover gedaan? (tijd)

Fase II : Instructie

5. Geef instructie aan de leerling, die betrekking heeft op:

• taak
• doel
• voorkennis

Inleiding:

Ik heb een aantal sommen op het bord geschreven. Het zijn breuken. Deze breuken moeten bij elkaar worden opgeteld of van elkaar worden afgetrokken.
Het doel van deze opdracht is het testen van de voorkennis. Hoe worden de breuksommen gemaakt.
Daarna worden de sommen nabesproken met de groep.
Ondertussen hou ik Iris in de gaten. Ik kijk hoe het met haar gaat. Verder maak ik gebruik van de afspraken en uitspraken.

Kern:

Ik leg de opdrachten van les 13 uit het rekenboek uit. De groep gaat rekenen met breuken, korting en geld. Dit hebben ze allemaal al eerder gehad. De opdrachten in het boek zijn herhalingsopdrachten. Iris weet dus wat ze moet doen. Toch leg ik bij elke som nog even kort uit wat de bedoeling is van de opdrachten. We doen een aantal opdrachten samen op het bord.
Het doel van deze opdrachten is het ophalen van de voorkennis en oefenen voor de toets. Het is herhalingsstof om extra te oefenen.

6. Maak afspraken met de leerling over de beoordelingscriteria:

• oplossingsweg
• resultaat
• tijd
Deze afspraken komen op het afsprakenblad te staan. Als ik dit afsprakenblad met Iris maak, is de rest al bezig met het zelfstandig werken.

7. Ga na of de leerling taakgericht werkt

• taakgericht : geef de leerling positieve feedback
• niet-taakgericht: herhaal stap 5 en/of 6

Taakgericht of niet-taakgericht?
Tijdens het zelfstandig werken controleer je regelmatig of de leerling taakgericht werkt:
- Bij taakgericht gedrag geef je de leerling tussentijds korte informatie en waardering, over de
voortgang van het werk en/of vraag je hoe het gaat.
- Bij niet-taakgericht gedrag herhaal of wijzig je één of meerdere betrekkingsaspecten van
stap 5 en stel je eventueel samen met de leerling één of meerdere betrekkingsaspecten uit
stap 6 bij.

* is er sprake van oogcontact als ik met de leerling spreek? Is de intonatie van mij
vriendelijk en uitnodigend? (communicatie)
* reageer ik op het juiste moment op het gedrag van de leerling? Geef ik instructie als
de leerling laat blijken dat zij daar behoefte aan heeft? (timing)
* is de informatie die ik geef voldoende voor de leerling om aan het werk te gaan? Stel ik te veel of te weinig vragen? (dosering)

Fase IV : Beoordeling en Attributie

8. Bepaal samen met de leerling of aan de afgesproken beoordelingscriteria is voldaan.

Ik neem de genoteerde afspraken samen met de leerling door. Ik kijk vervolgens de taak na en ik ga samen na of de beoordelingscriteria gehaald zijn.

9. Geef de leerling gelegenheid zijn succes of falen te verklaren.

- Hoe komt het dat het nu wel is gelukt?
- Waarom heb je nu minder fouten?
- Het is vandaag niet zo goed gegaan, vind je. Hoe komt dat?

10. Attributeer het taakresultaat van de leerling door:

Bij succes te verwijzen naar
• bekwaamheid
• inspanning
- Zie je wel, je bent steengoed in het rekenen met geld, breuken en kortingen (bekwaamheid).

Bij falen verwijzen naar
• inspanning
• moeilijkheidsgraad
- Het is je gelukt, omdat je zo hard hebt gewerkt (inspanning)
- Ik had je een te moeilijke taak gegeven (moeilijkheidsgraad)

3. Je bespreekt met je mentor in hoeverre het je gelukt is de leerlingen die niet-taakgericht gedrag vertonen de lesdoelen te laten bereiken. Je legt je bevindingen (reflectie) vast op het lesvoorbereidingsformulier.

Ik heb met de leerling die niet taakgericht werkt een aantal afspraken gemaakt:
- We bespreken van te voren hoeveel tijd Iris nodig denkt te hebben.
- Iris werkt het beste als het stil is. Ook zit ze liever niet in een groepje, dan wordt ze te snel afgeleid.
- Iris werkt ongeveer 10 minuten aan haar taak, als ze dan niet meer geconcentreerd is, dan gaat ze even iets anders doen. Bijvoorbeeld een loopje naar de wc. Maar daarbij stoort ze geen andere kinderen. Na de pauze gaat ze weer terug aan het werk.
- Ik loop langs bij Iris om te kijken hoe het gaat met Iris.
- Als Iris iets niet snapt, dan vraagt ze dat aan mij. Maar ondertussen gaat ze wel verder met de andere opdrachten.
- Als Iris taakgericht aan het werk is, dan geef ik haar tussentijds korte informatie en waardering, over de voortgang van het werk en/of vraag ik aan Iris hoe het gaat.
- Na afloop reflecteren we samen op de rekenles. Hoe ging de les? Ik stel daarbij vragen aan Iris, zowel directief als responsief. Iris vertelt hoe het ging.
- Is aan het eind van de les het doel behaald?
- Ik ben positief naar Iris toe, zodat ze meer zelfvertrouwen krijgt.
- Aan het eind van de les tekent Iris ene gezichtje op een blad. Op het blad staat de dag, en de les wat Iris heeft gemaakt. Daarachter tekent zij dus een gezichtje, boos, blij, verdrietig. Dit geeft aan hoe Iris de les vond gaan.
Alle uitspraken die op mijn voorbereiding staan, heb ik uitgevoerd. Ik denk dat de doelen wel bereikt zijn. Ik heb samen met de leerling gereflecteerd over de les en we hebben samen gekeken naar de doelen. De leerling snapt de leerstof beter na een goede uitleg.
Verder heeft de leerling goed taakgericht gewerkt. Ik ben met de leerling al langer bezig om haar taakgericht te laten werken.
Ik heb zowel directief als responsief gehandeld. De leerling speelde hier goed op in. Zij kon goed haar antwoorden onder woorden brengen.
De les is goed verlopen. Ook voor de rest van de leerlingen is de rest goed gegaan.
Ik heb alle kinderen positief benaderd.


4. Je plaatst lesvoorbereiding en reflectie in je digitale themamap.





Geen opmerkingen:

Een reactie posten